Over vrijwilligerswerk en de wet
Onder de koepel ‘vrijwilligerswerk’ worden alle activiteiten samengebracht die personen op vrijwillige basis doen voor anderen. Deze activiteiten dienen te gebeuren in het kader van een organisatie. Een laatste voorwaarde is dat de vrijwilliger géén loon ontvangt als tegenprestatie voor zijn inzet. De wet is dus zeker niet altijd van toepassing. Een voorbeeld hiervan is het leveren van onderlinge burenhulp. Normaliter is hierbij immers geen organisatie bij betrokken. Als gewone deelnemer één of andere activiteit van een vereniging bijwonen, valt ook niet onder de toepassing van de wet!
Vrijwilligerswerk draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de leefbaarheid en de kwaliteit van onze samenleving. De inzet van vrijwilligers is even divers, als er soorten verenigingen en instellingen zijn waarvoor ze actief zijn. Hun aantal wordt in Vlaanderen geschat op dik 1 miljoen, of ongeveer één Vlaming op vijf. De wet op het vrijwilligerswerk komt zonder twijfel tegemoet aan verzuchtingen die al jaren leven.
In de volgende paragrafen gaan we dieper in op de inhoud van de nieuwe wet. Zeker niet alle maatregelen zijn nieuw. De wet bundelt ook reeds bestaande regelgevingen en tracht een aantal ervan te verbeteren. Van bijzonder belang zijn de stukken rond de persoonlijke aansprakelijkheid in het geval er iets fout gaat enerzijds én het samengaan van vrijwilligerswerk met andere sociale statuten (en de bijhorende vergoedingen) anderzijds.
Wie kan vrijwilligerswerk doen?
We beginnen met het laatste. Iedereen kan vrijwilligerswerk doen. De combinatie met andere sociale statuten is echter in een aantal gevallen aan een voorafgaande toelating onderworpen. Dit is bijv. het geval bij werkloosheid, ziekte met vervangingsinkomen, (brug)pensioen en loopbaanonderbreking. Sinds 1 augustus zouden alvast weer enkele bestaande drempels moeten wegvallen zijn. Welke dit juist zijn, moet de studie van de concrete uitvoeringsbesluiten nog uitwijzen. Merk op: wie betaalde arbeid voor een organisatie verricht, kan voor diezelfde organisatie niet langer als vrijwilliger actief zijn. De concrete draagwijdte van deze regel wordt nog volop bediscussieerd.
Een regeling voor de vergoeding van onkosten
Organisaties die beroep doen op vrijwilligers kunnen – zo zij dit wensen – een onkostenvergoeding uitbetalen aan hun vrijwilligers. Hierbij zijn er twee mogelijkheden: ofwel worden onkosten uitbetaald op basis van bewijsstukken en is er geen maximum toegelaten bedrag (kilometervergoeding, telefoonkosten, fotokopieën, verblijfskosten…), ofwel wordt een forfaitaire vergoeding uitgekeerd. In het laatste geval zijn er wel maximale grensbedragen voorzien: 28,48 euro per dag en 1.139,02 euro per kalenderjaar. Deze vergoedingen zijn in principe cumuleerbaar met andere sociale uitkeringen en vrij van belastingen en bijdragen sociale zekerheid. De vrijwilliger is zelf verantwoordelijk voor de correcte naleving van dit deel van de wet. Hij alleen weet immers waar en voor wie hij allemaal vrijwilligerswerk gepresteerd heeft. De twee soorten vergoedingen zijn voor een zelfde persoon en binnen een zelfde fiscaal jaar niet vermengbaar. We verwachten nog een rondschrijven van de fiscale administratie met concrete richtlijnen over de registratie en controle van de geleverde inzet, e.a.
Vrijwilligers genieten van een verminderde aansprakelijkheid
Een aspect van de wet dat in de meeste commentaren vooraan staat, is de nieuwe aansprakelijkheidsregeling. Wie zich als vrijwilliger inzet, kan zich vanaf 1 januari 2007 beroepen op een verminderde aansprakelijkheid. Behoudens in geval van opzettelijke schadeberokkening, grove fout of herhaalde lichte fout, zal het de organisatie zijn die verantwoordelijk gesteld wordt. Deze moet zich hiervoor verzekeren met een polis burgerrechtelijke aansprakelijkheid (BA), welke de schade dekt die door de vrijwilliger aangebracht wordt aan de begunstigde van het vrijwilligerswerk of aan derden, zowel tijdens de uitvoering van de activiteit als onderweg van en naar de plaats van de activiteit. Er zijn nogal wat parallellen met bestaande ‘familiale’ of ‘gezinspolissen’.
Verzekeringsplicht voor organisaties die beroep doen op vrijwilligerswerk
Het is de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk gebeurt die de polis moet sluiten. De definitie van een organisatie wordt zeer ruim opgevat. In feite gaat het om alle private of publieke rechtspersonen zonder winstoogmerk, alsook alle feitelijk samenwerkingsverbanden tussen burgers (schoolcomités, sportclubs e.d.m.), beide voor zover er ook personeel in dienst is! Voor lokale feitelijke verenigingen die zelf geen personeel in dienst hebben, maar een afdeling zijn van een overkoepelende feitelijke vereniging of vzw die wel personeel tewerkstelt, is de koepel de organisatie! Dit laatste is het geval voor de Landelijke Gilden.
Veel grotere organisaties verzekeren vandaag reeds hun vrijwilligers. Voor hen zal er dan ook niet zoveel veranderen. Vooral vrijwilligers in kleinere en meer lokale comités zouden winst kunnen geboekt hebben, ware het niet dat de wetgever juist de vrijwilligers in kleinere feitelijke verenigingen die geen personeel hebben (of geen deel zijn van een groter geheel met personeel) uitsluit van de verminderde aansprakelijkheidsregeling. De overheid belooft wel een instapklare collectieve verzekering voor de schade die deze vrijwilligers kunnen veroorzaken
Tot slot: het staat een organisatie vrij om nog bijkomende verzekeringen af te sluiten, zoals bijv. een polis rechtsbijstand, een omniumverzekering voor verplaatsingen of een waarborg bij lichamelijke ongevallen.
Organisaties zijn verplicht hun vrijwilligers op de hoogte te brengen van de randvoorwaarden voor hun inzet
Een laatste veelbesproken nieuwigheid is de informatieplicht die aan organisaties wordt opgelegd. Deze zijn verplicht om de voorwaarden waaronder vrijwilliger en organisatie samenwerken te beschrijven en aan hun vrijwilligers voor te leggen. Het gaat concreet over minimaal de volgende inhouden: de sociale doelstelling en het juridisch statuut van de organisatie, een overzicht van de afgesloten verzekeringen en de gevallen waarin een onkostenvergoeding uitbetaald wordt. Deze informatie is in bijlage bij dit document opgenomen.
Besluitend
Zoals je kan merken, staan we al ver. Het nationaal secretariaat volgt de ontwikkelingen op de voet op en zet de stappen die moeten gezet worden. Afdelingsbesturen kunnen een belangrijke bijdrage leveren door hun vrijwilligers waar mogelijk te attenderen op de aangeboden informatie over de organisatie.
Vrijwilligerswerk en RVA
Werklozen en (deeltijds) bruggepensioneerden die vrijwilligerswerk verrichten voor een niet-commerciële organisatie moeten hiervoor de toelating vragen aan de RVA. Zonder deze toelating kunnen ze het recht op hun uitkering verliezen. De aanvraag (formulier C 45 B) moet gebeuren voor het engagement wordt opgenomen. De RVA heeft 12 dagen tijd om het vrijwilligerswerk te weigeren. Dit kan alleen maar om een beperkt aantal redenen. In praktijk is geen van deze redenen al ingeroepen m.b.t. het vrijwilligerswerk in Landelijke Gilden.
Sinds kort is het vrijwilligerswerk in Landelijke Gilden ook officieel erkend door de RVA. Deze erkenning ontslaat de vrijwilliger niet van het aanvragen van een toelating, maar ze vereenvoudigt de administratieve procedure. Het nationaal secretariaat Landelijke Gilden moet het aanvraagformulier (C 45 B) niet langer ondertekenen. In plaats daarvan vermeld je het algemeen machtigingsnummer van Landelijke Gilden: Y02/082011/2011-42/45bis.